Na de orkaan van 1930 verbood het regime hout en zink als bouwmaterialen, een ideologische beslissing die werd gepresenteerd als een technische maatregel
SANTO DOMINGO. – Vóór orkaan San Zenón kampte Santo Domingo al met een langdurig woningprobleem.
Onderzoeker Marcos Prados Martín documenteert in «From bohíos to social housing» (Culture & History Digital Journal, 2025) dat er sinds het einde van de 19e eeuw pogingen zijn gedaan om de bouw van bohíos in de hoofdstad te beperken, maar zonder succes.
De wijk San Carlos, bijvoorbeeld, die in 1910 bij de hoofdstad werd gevoegd, was een verzameling hutten, gebouwd met hout afkomstig uit landelijke gebieden en via de rivier de Ozama.
De bohío, zoals beschreven door Prados Martín, was een bouwwerk dat was opgetrokken met technieken die waren overgeërfd van de Taíno, aangepast met Spaanse en Afrikaanse elementen: palmplanken, een dak van palmbladeren, een vierkante of rechthoekige plattegrond en één kamer die diende als onderkomen voor een grote familie of meerdere families.
De keuken en de dagelijkse werkruimtes bevonden zich buiten. Tot halverwege de 20e eeuw was dit het meest voorkomende type woning in het land, en de cycloon van 1930 gaf het regime de rechtvaardiging die het nodig had.
Prados Martín wijst erop dat de voornaamste oorzaak van de ineenstorting van de volkshuisvesting de structurele kwetsbaarheid ervan was, maar dat de overheid hierop reageerde door hout als bouwmateriaal te verbieden, waardoor beton de enige optie overbleef.

De maatregel was zo radicaal dat er zelfs een tijdelijk verbod op zinken daken in was opgenomen, maar deze moest al snel worden ingetrokken omdat hij onpraktisch bleek.
Wet 142 van 1 juni 1931, aangehaald door dezelfde auteur, verbood expliciet de bouw van "hutten gemaakt van palmplanken, handelskisten en pinda-tegels" en schreef voor dat bestaande hutten binnen zes maanden moesten worden gesloopt. Deze beslissing was niet louter technisch van aard.
Prados Martín documenteert dat het nationalistische discours van het regime de bohío (een traditionele Dominicaanse woning) associeerde met Afrikaanse en Haïtiaanse invloed op de Dominicaanse boerenbevolking. Joaquín Balaguer, de ideoloog van het regime, koppelde in zijn geschriften de volksarchitectuur aan raciale achterstand, zoals dezelfde auteur aanhaalt.
Het stadje Jimaní, in de provincie Barouco, werd gesloopt omdat het bestond uit huizen die, volgens een officieel document dat door Prados Martín werd aangehaald, niet "in overeenstemming waren met het niveau van cultuur en beschaving dat de regering, als patriottische plicht, zichzelf heeft opgelegd om naar de gehele grensregio te brengen.".
De gevolgen voor de inwoners werden gedocumenteerd in het Algemeen Nationaal Archief.
Prados Martín citeert ook een brief van Blasina Ramírez, gedateerd 9 september 1933, gericht aan de autoriteiten: "Ik woon in Puerto de la Caridad, in een klein huisje dat ik heb gebouwd nadat orkaan San Zenón me in de meest complete en verwoestende armoede had gestort. Ik woon daar met mijn vijf dochters, voor wie ik de enige kostwinner ben. Het ministerie van Volksgezondheid heeft de sloop van deze huizen bevolen en ze tot een openbare overlast verklaard.".
Drie jaar na de orkaan werd een moeder van vijf dochters, die haar eigen tijdelijke woning had gebouwd, geconfronteerd met een tweede sloopbevel van de staat.
Volgens Prados Martín moet het verbod op de bohío (traditionele rieten hut) worden begrepen binnen het kader van wat de auteur omschrijft als een "negatief" beleid: een beleid dat meer gericht was op verbod dan op creatie. Tijdens de jaren dertig gaf het regime prioriteit aan de symbolische consolidatie van de politieke macht in de hoofdstad, in plaats van het huisvestingsprobleem op te lossen voor de bevolking die door de orkaan ontheemd was geraakt.
Serie: Geschiedenis van sociale woningbouw in de Dominicaanse Republiek. Hoofdstuk II.
Aanbevolen lectuur:




